|
STAATSBLAD
van de
BESLUIT : I. Te bepalen, dat de geldende tekst van de Grondwet van de Republiek Suriname (S.B. 1987 no. 116), zoals zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij Wet van 8 april 1992 (S.B. 1992 no. 38), nevens afschrift van deze resolutie, in het Staatsblad van de Republiek Suriname zal worden geplaatst. Paramaribo, de 16e maart 2005, R. R. VENETIAAN
GELDENDE TEKST VAN DE GRONDWET GRONDWET VAN DE REPUBLIEK SURINAME (S.B.1987 no. 116), gelijk zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij S.B. 1992 no. 38. Preambule Wij, het volk van Suriname, Geïnspireerd door de liefde voor dit Land en het geloof in de kracht van de Allerhoogste en geleid door de eeuwenlange strijd van ons volk tegen het kolonialisme, welke werd beëindigd met de vestiging van de Republiek Suriname op 25 november 1975, in aanmerking nemende de staatsgreep van 25 februari 1980 en de gevolgen daarvan, bewust van onze plicht elke vorm van buitenlandse overheersing de bestrijden en te verhinderen,
HOOFDSTUK I EERSTE AFDELING Artikel 1 1. De republiek Suriname is een democratische Staat gebaseerd op de souvereiniteit van het volk en op eerbiediging en waarborging van fundamentele rechten en vrijheden. TWEEDE AFDELING Artikel 2 1. Suriname omvat het grondgebied op het Zuid-Amerikaans continent dat als zodanig historisch is bepaald. DERDE AFDELING Artikel 3 1. Wie Surinamer en ingezetene is, wordt bij wet bepaald. VIERDE AFDELING Artikel 4 De zorg van de Staat is gericht op: a. de opbouw en instandhouding van een nationaal economie vrij van buitenlandse overheersing;
HOOFDSTUK II ECONOMISCHE DOELSTELLINGEN Artikel 5 1. De economische doelstellingen van de Republiek Suriname zijn gericht op de vestiging van een nationale economie, vrij van buitenlandse overheersing en in het belang van de Surinaamse natie.
HOOFDSTUK III SOCIALE DOELSTELLINGEN Artikel 6 De sociale doelstellingen van de Staat zijn gericht op: a. het identificeren van de ontwikkelingsmogelijkheden van de eigen natuurlijke omgeving en het vergroten van de capaciteiten om die mogelijkheden in toenemende mate te vergroten;
HOOFDSTUK IV INTERNATIONALE BEGINSELEN Artikel 7 1. De Republiek Suriname erkent en respecteert het recht van de volkeren op zelfbeschikking en nationale onafhankelijkheid op basis van gelijkwaardigheid, souvereiniteit en wederzijdse belangen.
HOOFDSTUK V GRONDRECHTEN PERSOONLIJKE RECHTEN EN VRIJHEDEN Artikel 8 1. Allen die zich op het grondgebied van Suriname bevinden hebben gelijke aanspraak op bescherming van personen en goederen. Artikel 9 1. Een ieder heeft recht op fysieke, psychische en morele integriteit. Artikel 10 Een ieder heeft bij aantasting van zijn rechten en vrijheden aanspraak op een eerlijke en openbare behandeling van zijn klacht binnen redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Artikel 11 Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem aanwijst. Artikel 12 1. Een ieder kan zich in rechte doen bijstaan. Artikel 13 De burgerlijke dood of verbeurdverklaring van alle goederen van de veroordeelde kan niet als straf of als gevolg van straf worden bedreigd. Artikel 14 Een ieder heeft het recht op leven. Dit recht wordt beschermd door de wet. Artikel 15 Niemand kan worden gedwongen dwangarbeid of verplichte arbeid te verrichten. Artikel 16 1. Een ieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Artikel 17 1. Een ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezin, zijn woning en van zijn eer en goede naam. Artikel 18 Een ieder heeft recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Artikel 19 Een ieder heeft het recht om door de drukpers of andere communicatiemiddelen zijn gedachten of gevoelens te openbaren en zijn mening te uiten, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Artikel 20 Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering, met inachtneming van bij wet vast te stellen bepalingen in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid en goede zeden. Artikel 21 1. Het recht van vreedzame betoging wordt erkend. Artikel 22 1. Een ieder heeft het recht om verzoeken schriftelijk bij het bevoegde gezag in te dienen. Artikel 23 In geval van oorlog, oorlogsgevaar, staat van beleg of een andere uitzonderingstoestand of om reden van staatsveiligheid, openbare orde en goede zeden kunnen de in de Grondwet genoemde rechten bij de wet worden onderworpen aan de beperkingen, welke gedurende een bepaalde periode, afhankelijk van de situatie, van kracht zullen zijn, met inachtneming van de terzake geldende internationale bepalingen.
HOOFDSTUK VI SOCIALE, CULTURELE EN ECONOMISCHE RECHTEN EN PLICHTEN
EERSTE AFDELING RECHT OP ARBEID Artikel 24 De Staat draagt zorg voor het scheppen van omstandigheden, waardoor een optimale bevrediging van de basisbehoeften aan werk, voeding, gezondheidszorg, onderwijs, energie, kleding en communicatie verkregen wordt. Artikel 25 Arbeid is het belangrijkste middel voor de ontplooiing van de mens en een belangrijke bron van welvaart. Artikel 26 1. Een ieder heeft recht op werk, in overeenstemming met zijn capaciteit.
TWEEDE AFDELING STAATSZORG VOOR DE ARBEID Artikel 27 1. Het is de plicht van de Staat om het recht op werk zoveel mogelijk te waarborgen door: a. een planmatig beleid te voeren, gericht op volledige werkgelegenheid; 2. De Staat draagt zorg voor het scheppen van de omstandigheden voor de optimale bevordering van initiatieven voor de economische productie.
DERDE AFDELING RECHTEN VAN WERKNEMERS Artikel 28 Alle werknemers zijn, ongeacht leeftijd, geslacht, ras, nationaliteit, godsdienst of politieke overtuiging, gerechtigd tot: a. beloning voor hun werk naar gelang van hoeveelheid, aard, kwaliteit en ervaring op basis van het beginsel van gelijk loon voor gelijke arbeid;
VIERDE AFDELING PLICHTEN VAN DE STAAT MET BETREKKING TOT RECHTEN VAN DE WERKNEMERS
Artikel 29 Het is de plicht van de Staat om de voorwaarden voor werk, beloning en rust, waartoe de werknemers gerechtigd zijn aan te geven, in het bijzonder door: a. regelingen te treffen ten aanzien van lonen, werktijden, arbeidsomstandigheden en speciale werkercategorieën; VIJFDE AFDELING VAKVERENIGINGSVRIJHEID Artikel 30 1. Werknemers zijn vrij om vakverenigingen op te richten voor de behartiging van hun rechten en belangen. a. vrijheid om al dan niet lid te zijn van een vakvereniging; 3. Vakverenigingen zullen worden beheerst door de beginselen van democratische organisatie en bestuur, gebaseerd op regelmatige verkiezingen van hun besturen middels geheime verkiezing. ZESDE AFDELING RECHTEN VAN VAKVERENIGINGEN EN COLLECTIEVE OVEREENKOMSTEN Artikel 31 1. De vakverenigingen zijn bevoegd om de rechten en belangen van de werknemers die zij vertegenwoordigen te verdedigen en voor hen op te komen.. a. de voorbereiding van arbeidswetgeving; 3. Vakverenigingen hebben het recht om collectieve arbeidsovereenkomsten aan te gaan. De regels betreffende de bevoegdheid tot het aangaan van collectieve arbeidsovereenkomsten en de werkingssfeer van hun bepalingen worden vastgesteld bij wet. ZESDE AFDELING A RECHTEN VAN ONDERNEMERS Artikel 32 De belangenverenigingen van ondernemers zijn bevoegd om de rechten en belangen van degenen die zij vertegenwoordigen te verdedigen en om voor hen op te komen. ZEVENDE AFDELING STAKINGSRECHT Artikel 33 Het stakingsrecht wordt erkend behoudens de beperkingen die uit het recht voortvloeien. ACHTSTE AFDELING RECHT OP EIGENDOM Artikel 34 1. Eigendom, zowel van de gemeenschap als van het individu, vervult een maatschappelijke functie. Een ieder heeft het recht op ongestoord genot van zijn eigendom behoudens de beperkingen die uit het recht voortvloeien. NEGENDE AFDELING HET GEZIN Artikel 35 1. Het gezin wordt erkend en beschermd. TIENDE AFDELING DE GEZONDHEID Artikel 36 1. Een ieder heeft recht op gezondheid. ELFDE AFDELING DE JEUGD Artikel 37 1. Jeugdigen genieten bijzondere bescherming voor het genot van economische, sociale en culturele rechten, waaronder begrepen: a. toegang tot onderwijs, cultuur en werk; 2. De belangrijkste doelstelling van het jeugdbeleid is de ontwikkeling van de persoonlijkheid van de jonge mens en het gevoel van dienstbaarheid aan de gemeenschap. TWAALFDE AFDELING ONDERWIJS EN CULTUUR Artikel 38 1. Een ieder heeft recht op onderwijs en cultuurbeleving. DERTIENDE AFDELING ONDERWIJS Artikel 39 1. De Staat erkent en waarborgt het recht van alle burgers op onderwijs en biedt hun gelijke kansen op scholing. a. verplicht en vrij algemeen lager onderwijs te verzekeren;
HOOFDSTUK VII ECONOMISCHE ORDENING Artikel 40 Ter bevordering van de sociaal-economische ontwikkeling naar een sociaalrechtvaardige samenleving wordt bij wet een ontwikkelingsplan vastgesteld, met inachtneming van de nationale en sociaal-economische doelstellingen van de Staat. Artikel 41 Natuurlijke rijkdommen en hulpbronnen zijn eigendom van de natie en dienen te worden ingezet in de economische, sociale en culturele ontwikkeling. De natie heeft het onvervreemdbaar recht om volledig bezit te nemen van de natuurlijke hulpbronnen, ten einde deze aan te wenden ten behoeve van de economische, sociale en culturele ontwikkeling van Suriname. Artikel 42 1. De wet waarborgt, dat de wijze van uitoefening van handel en industrie niet strijdig is met de nationale doelstellingen, het algemeen belang en met name de openbare orde, gezondheid, goede zeden en staatsveiligheid. Artikel 43 Voorzieningen ter bevordering van investeringen in de productieve sector worden bij wet vastgesteld. Artikel 44 Het recht op industrieel eigendom wordt bij wet geregeld.
HOOFDSTUK VIII SOCIALE ORDENING Artikel 45 De sociale ordening rust in beginsel op een samenleving, waarin alle Surinamers dezelfde rechten en plichten hebben. Artikel 46 De Staat schept de condities, welke ten grondslag liggen aan de vorming van burgers die in staat zijn op democratische en effectieve wijze te participeren in het ontwikkelingsproces van de natie. Artikel 47 De Staat bewaart en beschermt de culturele erfenis van Suriname, stimuleert het behoud hiervan en bevordert het beoefenen van wetenschap en technologie in het kader van de nationale ontwikkelingsdoeleinden. Artikel 48 1. De Staat oefent toezicht uit op het fabriceren, voorhanden hebben en verhandelen van chemische, biologische, pharmaceutische en andere producten, bestemd voor consumptie, medische behandeling en diagnose. Artikel 49 Bij wet wordt een huisvestingsplan vastgesteld, gericht op het in voldoende mate voorzien in betaalbare woningen en staatscontrole op de aanwending van onroerend goed voor volkshuisvesting. Artikel 50 Het beleid inzake sociale zekerheid voor weduwen, wezen, bejaarden, invaliden en arbeidsongeschikten wordt bij wet aangegeven. Artikel 51 De Staat draagt zorg voor het toegankelijk maken van de instituten voor rechtshulp ten behoeve van rechtszoekenden.
HOOFDSTUK IX BEGINSELEN VAN DE DEMOCRATISCHE STAATSORDENING EERSTE AFDELING POLITIEKE DEMOCRATIE Artikel 52 1.De politieke macht berust bij het volk en wordt uitgeoefend in overeenstemming met de Grondwet. TWEEDE AFDELING POLITIEKE ORGANISATIES Artikel 53 1. De Staat erkent de bevoegdheid van de burgers om politieke organisaties op te richten, behoudens de beperkingen die uit het recht voortvloeien. a. de doelstellingen mogen niet strijdig en onverenigbaar zijn met de Grondwet en met de wetten; - regelmatige bestuursverkiezingen; - het vereiste dat voorgedragen kandidaten voor de volksvertegenwoordigingen binnen de partijstructuren moeten zijn verkozen; d. de kiezers in staat te stellen kennis te kunnen nemen van het beginselprogramma en het verkiezingsprogramma van de politieke organisaties; DERDE AFDELING BASISPRINCIPES VOOR HET FUNCTIONEREN VAN DE STAATSORGANEN Artikel 54 1. De Staat is verplicht de kiesgerechtigden te registreren en voor deelname aan verkiezingen op te roepen. a. beslissingen van hogere staatsorganen zijn bindend voor de lagere organen. Deze bepaling geldt niet ten aanzien van de Rechtsprekende Organen; De lagere overheid is gehouden om een communicatieproces naar het volk toe op te bouwen, in het belang van het publiekgericht maken van het bestuur en de deelname in het beleid.
HOOFDSTUK X DE NATIONALE ASSEMBLEE EERSTE AFDELING DE INRICHTING EN SAMENSTELLING VAN DE NATIONALE ASSEMBLEE Artikel 55 1. De Nationale Assemblee vertegenwoordigt het volk van de Republiek Suriname en brengt de souvereine wil van de natie tot uitdrukking. TWEEDE AFDELING VERKIEZING VAN DE LEDEN VAN DE NATIONALE ASSEMBLEE Artikel 56 1. De leden van De Nationale Assemblee worden gekozen voor een zittingsperiode van vijf jaren. Artikel 57 1. De leden van De Nationale Assemblee worden rechtstreeks gekozen door de ingezetenen die de Surinaamse nationaliteit bezitten en de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt. Artikel 58 Van de uitoefening van het kiesrecht zijn uitgesloten: a. zij, die krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak het kiesrecht missen; Artikel 59 Verkiesbaar zijn de ingezetenen die de Surinaamse nationaliteit bezitten, de leeftijd van eenentwintig jaren hebben bereikt en niet op de in het vorige artikel onder a en c genoemde gronden van de uitoefening van het kiesrecht zijn uitgesloten. Artikel 60 Alles wat verder het kiesrecht betreft, de instelling van een onafhankelijk kiesbureau en zijn bevoegdheden, de indeling van Suriname in kiesdistricten, de verdeling van de zetels van De Nationale Assemblee per kiesdistrict en de methoden, volgens welke de regeling van de zeteltoewijzing, worden geregeld bij wet. Deze wet dient met 2/3 meerderheid te worden aangenomen. DERDE AFDELING LIDMAATSCHAP VAN DE NATIONALE ASSEMBLEE Artikel 61 1. De Nationale Assemblee bestaat uit 51 leden die per district op grond van algemene, vrije en geheime verkiezingen krachtens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging bij grootste gemiddelde en voorkeursstemmen worden gekozen. Artikel 62 De wet bepaalt voor welke ambten het lidmaatschap van De Nationale Assemblee non-activiteit tot gevolg heeft. Artikel 63 Vervallen. Artikel 64 De zittingsperiode van De Nationale Assemblee en die van de andere representatieve organen op plaatselijk en districtsniveau vallen zoveel mogelijk samen. Artikel 65 Bij het aanvaarden van hun ambt leggen de leden de volgende eed of verklaring en belofte af: "Ik zweer (verklaar), dat ik, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, in verband met mijn verkiezing tot lid van De Nationale Assemblee aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat verklaar en beloof ik"). Artikel 66 Uiterlijk binnen dertig dagen nadat de leden van De Nationale Assemblee zijn gekozen, komt dit orgaan in vergadering bijeen onder voorzitterschap van het oudste lid in jaren, en bij verhindering of ontstentenis door telkens het op één na oudste lid. In deze vergadering onderzoekt De Nationale Assemblee de geloofsbrieven van haar nieuwe leden en beslist over de geschillen, welke aangaande die geloofsbrieven of de verkiezing zelf opkomen, een en ander volgens regelen door de wet te stellen. Indien er meerdere leden zijn, die aanmerking zouden kunnen komen voor aanwijzing als oudste lid, beslist het lot wie van hen als de fungerende voorzitter optreedt. Artikel 67 1. Het in het voorgaande artikel genoemde oudste lid legt, voorafgaande aan deze vergadering, in handen van de President de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af, waarna hij de overige vijftig leden beëdigt. Hierna gaat de vergadering over tot het kiezen van een voorzitter en een vice-voorzitter van De Nationale Assemblee, die onmiddellijk hun functies aanvaarden. VIERDE AFDELING BEEINDIGING VAN HET LIDMAATSCHAP VAN DE NATIONALE ASSEMBLEE Artikel 68 1. Het lidmaatschap van De Nationale Assemblee eindigt door: a. overlijden; 2. Het lidmaatschap van De Nationale Assemblee is onverenigbaar met het ministerschap en het onderministerschap, met dien verstande dat bij verkiezing van een minister of onderminister tot lid van De Nationale Assemblee, ten hoogste drie maanden na zijn toelating tot De Nationale Assemblee het ambt van minister of onderminister met het lidmaatschap van De Nationale Assemblee kan worden verenigd.
HOOFDSTUK XI DE WETGEVENDE MACHT EERSTE AFDELING UITOEFENING VAN DE WETGEVENDE MACHT Artikel 69 De Wetgever, de Regering en de overige overheidsorganen nemen de bepalingen van de Grondwet in acht. Artikel 70 De Wetgevende Macht wordt door De Nationale Assemblee en de Regering gezamenlijk uitgeoefend. TWEEDE AFDELING BEVOEGDHEDEN VAN DE NATIONALE ASSEMBLEE Artikel 71 1. De Nationale Assemblee is bevoegd te beslissen over alle wetsontwerpen, die aan haar ter goedkeuring worden voorgelegd. Artikel 72 Onverminderd hetgeen elders in de Grondwet voor regeling bij wet is voorbehouden, dienen de volgende onderwerpen in ieder geval bij wet te worden vastgesteld: a. verdragen, met inachtneming van het bepaalde bij artikel 104; Artikel 73 Het te voeren sociaal-economisch en politiek beleid van de Regering behoeft de voorafgaande goedkeuring van De Nationale Assemblee. UITVOERENDE TAKEN VAN DE NATIONALE ASSEMBLEE Artikel 74 De Nationale Assemblee heeft de volgende uitvoerende taken: a. het kiezen en het besluit tot tussentijds doen aftreden van de President en de Vice-president. DERDE AFDELING BEHANDELING WETSONTWERPEN, RECHTEN VAN AMENDEMENT, INITIATIEF, INTERPELLATIE EN ENQUÊTE Artikel 75 1. De President biedt de wetsontwerpen of andere voorstellen van de Regering aan De Nationale Assemblee bij schriftelijke boodschap aan. Artikel 76 De Nationale Assemblee heeft het recht wijzigingen aan te brengen in de wetsontwerpen van de Regering. Artikel 77 1. Wanneer De Nationale Assemblee tot goedkeuring van het wetsontwerp besluit, hetzij ongewijzigd, hetzij gewijzigd geeft zij daarvan kennis aan de President. Artikel 78 Ieder lid van De Nationale Assemblee heeft het recht ontworpen van wet aan De Nationale Assemblee ter behandeling voor te leggen. Artikel 79 De Nationale Assemblee heeft het recht van onderzoek, nader te regelen bij wet. Artikel 80 1. Alle ontwerpen van wet, door De Nationale Assemblee goedgekeurd en door de President bekrachtigd,, verkrijgen kracht van wet na afkondiging. VIERDE AFDELING WERKWIJZE Artikel 81 Jaarlijks, uiterlijk op de eerste werkdag in oktober, geeft de President in een buitengewone vergadering van De Nationale Assemblee een uiteenzetting van het door de Regering te voeren beleid. Artikel 82 Alle vergaderingen van De Nationale Assemblee zijn openbaar, uitgezonderd die bijzondere gevallen waarin zij besluit om achter gesloten deuren te vergaderen. Artikel 83 1. De Nationale Assemblee vangt haar beraadslagingen niet aan, noch besluit zo niet meer dan de helft der leden tegenwoordig is. a. het wijzigen van de Grondwet; Artikel 84 1. Staken de stemmen in een vergadering, waarin allen, die op dat ogenblik lid van De Nationale Assemblee zijn, aan de stemming hebben deelgenomen, dan wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. Artikel 85 1. De Regering geeft De Nationale Assemblee, hetzij schriftelijk, hetzij mondeling de verlangde inlichtingen. Artikel 86 De wet regelt de geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden en van de gewezen leden van De Nationale Assemblee en hun nabestaanden. Artikel 87 1. De Nationale Assemblee benoemt, schorst en ontslaat haar griffier. Deze kan niet tevens lid van De Nationale Assemblee zijn. VIJDE AFDELING ONSCHENDBAARHEID Artikel 88 De voorzitter, de leden van De Nationale Assemblee, de Regering en de deskundigen als bedoeld in artikel 85 lid 2 zijn niet strafrechterlijk vervolgbaar voor hetgeen zij in de vergadering hebben gezegd of aan haar schriftelijk hebben overgelegd, tenzij zij daarmee openbaar maken wat in een besloten vergadering of onder geheimhouding is gezegd of overgelegd. Artikel 89 De Nationale Assemblee is gehouden de districtraden op de nader bij wet voor te schrijven wijze te informeren over genomen besluiten of ingenomen standpunten die hun districten betreffen.
HOOFDSTUK XII DE PRESIDENT EERSTE AFDELING ALGEMEEN Artikel 90 1. De President is Staatshoofd van de Republiek Suriname, Hoofd van de Regering, Voorzitter van de Staatsraad en van de Veiligheidsraad. Artikel 91 1. De President en de Vice-president worden door De Nationale Assemblee voor vijf jaren gekozen. De ambtstermijn van de President eindigt bij de beëdiging van een nieuw gekozen President. Indien het ambt vacant wordt, begint voor de daaropvolgend gekozen President een nieuwe ambtstermijn. Artikel 92 1. Om tot President of Vice-president te kunnen worden gekozen moet een kandidaat : - de Surinaamse nationaliteit bezitten; 2. Voorafgaand aan zijn kandidatuur moet hij tenminste zes jaren woonplaats en hoofd- of werkelijk verblijf in Suriname hebben gehad. Artikel 93 Bij de installatie leggen de President en de Vice-president ten overstaan van De Nationale Assemblee, in handen van de voorzitter, de volgende eed of verklaring en belofte af: "Ik zweer (verklaar), dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, in verband met mijn verkiezing tot President van de Republiek Suriname (Vice-president) aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat verklaar en beloof ik!)". Artikel 94 De President en de Vice-president oefenen naast hun ambt geen andere politiek-bestuurlijke overheidsambten uit, bekleden geen functies in het bedrijfsleven of in de vakbeweging en oefenen evenmin andere beroepen uit. Artikel 95 De President en de Vice-president mogen rechtstreeks noch zijdelings deelhebber zijn in, noch borg zijn voor enige onderneming, ten grondslag hebbende een overeenkomst, om winst of voordeel, aangegaan met de Staat of met enig deel daarvan. Zij mogen, behalve openbare schuldbrieven, geen schuldvorderingen ten laste van de Staat bezitten. Artikel 96 De President en de Vice-president mogen rechtstreeks noch zijdelings deelhebber zijn in enige concessie of onderneming van welke aard dan ook, in Suriname gevestigd of aldaar haar bedrijf uitoefende. Artikel 97 1. De President mag niet in de betrekking van huwelijk of bloedverwantschap of aanverwantschap, tot de tweed graad ingesloten staan tot de Vice-president, de ministers, de onderministers, de leden van de Staatsraad en de voorzitter, ondervoorzitter en leden van het orgaan dat belast is met het toezicht en de controle op de besteding van staatsfinanciën. Artikel 98 Het ambt van de President wordt waargenomen door de Vice-president: a. indien de President buiten staat is verklaard zijn bevoegdheden uit te oefenen; TWEEDE AFDELING BEVOEGDHEDEN VAN DE PRESIDENT Artikel 99 De uitvoerende Macht berust bij de President. Artikel 100 De President voert het opperbevel der strijdkrachten. Artikel 101 De President heeft de leiding over de buitenlandse politiek en bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde. Artikel 102 1. De President verklaart de Republiek Suriname niet in staat van oorlog, oorlogsgevaar of in staat van beleg, dan na voorafgaande toestemming van De Nationale Assemblee. Artikel 103 Overeenkomsten met andere mogendheden en met volkenrechtelijke organisaties worden door of met inachtneming van de President gesloten en voor zover de overeenkomst dat eist, door de President bekrachtigd. Deze overeenkomsten worden zo spoedig mogelijk aan De Nationale Assemblee medegedeeld; zij worden niet bekrachtigd en treden niet in werking dan nadat zij door de De Nationale Assemblee zijn goedgekeurd. Artikel 104 1. De goedkeuring wordt uitdrukkelijk of stilzwijgend verleend. De uitdrukkelijke goedkeuring wordt verleend bij wet. De stilzwijgende goedkeuring is verleend, indien niet binnen dertig dagen na een daartoe strekkende overlegging van de overeenkomst aan De Nationale Assemblee, door de De Nationale Assemblee, de wens wordt te kennen gegeven dat de overeenkomst aan haar uitdrukkelijke goedkeuring zal worden onderworpen. Artikel 105 Bepalingen van de in artikel 103 bedoelde overeenkomsten, welke naar de inhoud een ieder kunnen binden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt. Artikel 106 Binnen de Republiek Suriname geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, wanneer deze toepassing niet verenigbaar zou zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten, die hetzij voor, hetzij na de totstandkoming van de voorschriften zijn aangegaan. Artikel 107 De wet regelt de bekendmaking van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Artikel 108 De President verleent de ereonderscheidingen van de Republiek Suriname aan daarvoor in aanmerking komende personen op voordracht van de Regering. Artikel 109 De President heeft het recht van gratie van straffen door rechterlijk vonnis opgelegd. Hij oefent dit recht uit na het advies te hebben ingewonnen van de rechter, die het vonnis heeft gewezen. BEVOEGHEDEN MET BETREKKING TOT ANDERE ORGANEN Artikel 110 De President is bevoegd tot: a. het formeren van de Raad van Ministers, na zich te hebben laten informeren, mede op grond van de uitslag van de verkiezingen; BEVOEGDHEDEN IN INTERNATIONALE BETREKKINGEN Artikel 111 De President is in internationale betrekkingen bevoegd om: a. diplomatieke vertegenwoordigers van Suriname te benoemen, te ontslaan, te vervangen en te schorsen; Artikel 112 Alle andere zaken de President betreffende worden bij wet geregeld.
HOOFDSTUK XIII DE STAATSRAAD, DE REGERING, DE RAAD VAN MINISTERS EN DE LEDEN VAN DE RAAD VAN MINISTERS EERSTE AFDELING DE STAATSRAAD Artikel 113 Er is een Staatsraad waarvan de samenstelling en de bevoegdheden worden geregeld bij de wet. De President is Voorzitter van de Staatsraad. Artikel 114 Bij het aanvaarden van hun ambt leggen de leden van de Staatsraad, in handen van de President, de volgende eed of verklaring en belofte af: "Ik zweer (verklaar), dat ik middellijk noch onmiddellijk onder welke naam of welk voorwendsel ook, in verband met het verkrijgen van mijn benoeming als lid van de Staatsraad aan iemand wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat verklaar en beloof ik!)". BEVOEGDHEDEN VAN DE STAATSRAAD Artikel 115 De Staatsraad heeft onverminderd hetgeen bij wet is geregeld de volgende bevoegdheden: a. het adviseren van de President bij de uitoefening van zijn ambt als staatshoofd en als hoofd van de Regering; TWEEDE AFDELING DE REGERING Artikel 116 1. De President vormt samen met de Vice-President en de Raad van Ministers de Regering. De Vice-president is belast met de dagelijkse leiding van de Raad van Ministers en is als zodanig verantwoording schuldig aan de President. Artikel 117 Door de Regering worden staatsbesluiten vastgesteld. Bepalingen door straffen te handhaven, worden in die staatsbesluiten niet gemaakt, dan krachtens de wet. De wet regelt de op te leggen straffen. Artikel 118 De wijze van afkondiging van wetten en staatsbesluiten en het tijdstip waarop zij aanvangen verbindend te zijn, worden door de wetten geregeld. DERDE AFDELING DE RAAD VAN MINISTERS Artikel 119 1. De Raad van Ministers is het hoogste uitvoerende en administratieve orgaan van de Regering. Artikel 120 De vergaderingen van de Raad van Ministers kunnen op uitnodiging van de Voorzitter worden bijgewoond door specialistische en/of technische deskundigen. Artikel 121 De Raad van Ministers is gehouden om medewerking te verlenen aan het verschaffen van informatie aan de Staatsraad ter uitvoering van zijn taak. TAKEN VAN DE RAAD VAN MINISTERS Artikel 122 Onverminderd hetgeen in het Reglement van Orde voor de Raad van Ministers is bepaald, heeft de Raad van Ministers tot taak: a. het voeren van het door de Regering vastgestelde beleid; TAKEN VAN DE LEDEN VAN DE RAAD VAN MINISTERS Artikel 123 1. De leden van de Raad van Ministers zijn belast met de leiding van hun respectieve ministeries en voorts met de taken hun bij het Reglement van Orde voor de Raad van Ministers en andere regelingen opgedragen. VIERDE AFDELING ONDERMINISTERS Artikel 124 Bij de Ministeries kunnen onderministers worden benoemd door de President die in de gevallen waarin de ministers het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister kan optreden. De onderminister is uit dien hoofde verantwoording verschuldigd aan de President, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister. VIJFDE AFDELING NADERE BEPALINGEN Artikel 125 Bij het aanvaarden van hun ambt leggen de ministers en ondernemingen in handen van de President, de volgende eed of verklaring en belofte af: "Ik zweer (verklaar) dat ik, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, in verband met mijn benoeming tot Minister,aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat verklaar en beloof ik!)". Artikel 126 De wet regelt de geldelijke voorzieningen ten behoeve van de ministers, de onderministers, de gewezen ministers en onderministers en van hun nabestaanden. Artikel 127 Het Reglement van Orde voor de Raad van Ministers wordt vastgesteld bij staatsbesluit.
HOOFDSTUK XIV DE NATIONALE VEILIGHEIDSRAAD EERSTE AFDELING ALGEMEEN Artikel 128 Er is een Nationale Veiligheidsraad, die zijn werkzaamheden kan aanvangen pas nadat de daartoe bevoegde organen besloten hebben tot het afkondigen van de staat van oorlog, oorlogsgevaar of staat van beleg in geval van militaire agressie en het afkondigen van de burgerlijke en militaire uitzonderingstoestand. TWEEDE AFDELING DE SAMENSTELLING VAN DE VEILIGHEIDSRAAD Artikel 129 De Veiligheidsraad bestaat uit: a. De President, als voorzitter; Artikel 130 1.De Veiligheidsraad beschermt de souvereiniteit en de binnenlandse veiligheid van de Republiek Suriname en is toegerust met speciale bevoegdheden met betrekking tot de uit- en inwendige veiligheid van de Republiek Suriname in gevallen als in artikel 128 bedoeld.
HOOFDSTUK XV DE JUSTITIE EERSTE AFDELING ALGEMEEN Artikel 131 1. Er wordt in Suriname recht gesproken in naam van de Republiek. Artikel 132 Het burgerlijk en handelsrecht, het burgerlijk en militair strafrecht en de rechtspleging worden bij de wet geregeld in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid van de Wetgevende Macht om bijzondere onderwerpen in afzonderlijke wetten te regelen. TWEEDE AFDELING DE RECHTERLIJKE MACHT Artikel 133 1. De Rechterlijke Macht wordt gevormd door de President en de Vice-president van het Hof van Justitie, de leden en de ledenplaatsvervangers van het Hof van Justitie, de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie en de overige leden van het Openbaar Ministerie, alsmede de andere rechterlijke ambtenaren, die de wet aanwijst. Artikel 134 1. De kennisneming van de berechting omtrent alle rechtsgeschillen, tenzij de wet een andere rechter aanwijst, is opgedragen aan de Rechterlijke Macht. Artikel 135 1. De wet kan de beslissing van rechtsgeschillen , niet uit burgerrechtelijke betrekkingen ontstaan, aan administratieve rechters opdragen. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen. Artikel 136 1. Alle rechterlijke beslissingen behelzen de gronden, waarop deze zijn gewezen en in strafzaken tevens de aanwijzing van de artikelen van de wettelijke regelingen waarop de veroordeling berust. Artikel 137 Voor zover de rechter in een concreet aan hem voorgelegd geval toepassing van een bepaling van een wet strijdig oordeelt met een of meer der in Hoofdstuk V genoemde grondrechten, verklaart hij die toepassing voor dat geval ongeoorloofd. DERDE AFDELING SAMENSTELLING RECHTERLIJKE MACHT Artikel 138 De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheden van de Rechterlijke Macht. Artikel 139 De hoogste instantie van de Rechterlijke Macht met rechtspraak belast draagt de naam van het Hof van Justitie van Suriname. Het Hof houdt toezicht op de geregelde afdoening van alle rechtsgedingen. Artikel 140 Politieke ambtsdragers staan wegens misdrijven, in die betrekking gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor het Hof van Justitie. De vervolging wordt ingesteld door de Procureur-generaal, nadat de betrokkene door De Nationale Assemblee in staat van beschuldiging is gesteld op een nader bij wet te bepalen wijze. De wet kan bepalen, dat leden van Hoge Colleges van Staat en andere ambtenaren wegens ambtsmisdrijven voor het Hof van Justitie terecht staan. Artikel 141 1. Om als lid van de Rechterlijke Macht met rechtspraak belast of Procureur-generaal bij het Hof van Justitie benoemd te kunnen worden moet men de leeftijd van dertig jaren hebben bereikt en in het bezit zijn van de Surinaamse nationaliteit en woonplaats en hoofd- of werkelijk verblijf in Suriname hebben. Artikel 142 1. De leden van de Rechterlijke Macht met rechtspraak belast en de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie worden door de Regering ontslagen: 2. De in het eerste lid genoemde personen kunnen op voordracht van het Hof van Justitie door de Regering worden ontslagen: wegens ernstig wangedrag of onzedelijkheid of bij gebleken voortdurende achteloosheid in de waarneming van hun ambt. Indien de President van het Hof van Justitie van oordeel is, dat een der redenen van ontslag als in artikel 142 lid 2 bedoeld, aanwezig is, kan de betrokkene door hem worden geschorst en kan hij eveneens in de tijdelijke waarneming van dat ambt voorzien. De wet regelt de gevolgen van schorsing en ontslag uit het ambt. VIERDE AFDELING CONSTITUTIONEEL HOF Artikel 144 1. Er is een Constitutioneel Hof, zijnde een onafhankelijk orgaan, dat gevormd wordt door de voorzitter, de vice-voorzitter en drie leden, die -evenals de drie plaatsvervangende leden- voor een periode van vijf jaren op voordracht van De Nationale Assemblee door de President worden benoemd. a. het toetsen van de inhoud van wetten of gedeelten daarvan aan de Grondwet en aan van toepassing zijnde overeenkomsten met andere mogendheden en met volkenrechtelijke organisaties; 3. Ingeval het Constitutioneel Hof oordeelt dat er strijdigheid is met één of meer bepalingen van de Grondwet of van een overeenkomst als in lid 2 onder a bedoeld, wordt de wet of worden gedeelten daarvan dan wel de besluiten van de overheidsorganen geacht onverbindend te zijn. VIJFDE AFDELING HET OPENBAAR MINISTERIE Artikel 145 Het Openbaar Ministerie is met uitsluiting van elk ander orgaan verantwoordelijk voor de opsporing en belast met de vervolging van alle strafbare feiten. Bij wet kan ten aanzien van de strafrechtspleging met betrekking tot militairen hiervan worden afgeweken. Artikel 146 1. Het Openbaar Ministerie bij het Hof van Justitie wordt uitgeoefend door of namens de Procureur-generaal. Artikel 147 De Procureur-generaal waakt voor de richtige uitoefening van de taak van de Politie. Hij is bevoegd daaromtrent voorstellen te doen die hem dienstig voorkomen. Artikel 148 De Regering bepaalt het algemeen vervolgingsbeleid. In het belang van de staatsveiligheid kan de Regering in concrete gevallen aan de Procureur-generaal bevelen geven met betrekking tot de vervolging.
HOOFDSTUK XVI TOEZICHT OP DE BESTEDING VAN DE STAATSFINANCIËN Artikel 149 1. Bij wet wordt ingesteld een orgaan dat tot taak heeft toezicht uit te oefenen op de besteding van de staatsgelden, alsmede controle op het geldelijk beheer van de overheid in de ruimste zin. Artikel 150 De voorzitter, de ondervoorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden worden op voordracht van De Nationale Assemblee, door de President benoemd voor een periode van vijf jaren. Artikel 151 Het in artikel 149 bedoelde orgaan zal periodiek, doch ten minste eenmaal per jaar verslag uitbrengen aan De Nationale Assemblee, de Staatsraad en aan de Regering van het door haar uitgeoefend toezicht. Het verslag wordt openbaar gemaakt. Artikel 152 Alles wat verder de samenstelling, de organisatie en de bevoegdheden van dit orgaan betreft, wordt nader bij wet geregeld.
HOOFDSTUK XVII ADVIESRAAD Artikel 153 De instelling van één of meer adviesraden ten behoeve van de Regering geschiedt bij wet, die tevens regelen inhoudt omtrent hun benoeming, samenstelling, werkwijze en bevoegdheid.
HOOFDSTUK XVIII FINANCIEEL EN MONETAIR SYSTEEM Artikel 154 1. De wet regelt de structuur van het financieel systeem op zodanige wijze, dat door besparing en een juiste bestemming van de nodige financiële middelen, de investeringen in de productieve sector worden bevorderd.
HOOFDSTUK XIX BELASTINGEN Artikel 155 1. Belastingen worden geheven krachtens de wet, welke wet de belastingdruk, de tarieven, vrijstellingen en waarborgen voor belastingplichten regelt. BEGROTING Artikel 156 1. De wet regelt de wijze van voorbereiding, opstelling en uitvoering van de jaarlijkse begroting en de tijd waarvoor zij geldt. Bij de indiening van ontwerpbegrotingen door de Regering aan De Nationale Assemblee zal door de President in een buitengewone vergadering van De Nationale Assemblee een rede worden gehouden. 4a. De begroting treedt in werking met ingang van 1 januari van het dienstjaar waarop zij betrekking heeft. 5a. Het slot der rekening wordt voor elk dienstjaar afzonderlijk vastgesteld bij wet.
HOOFDSTUK XX DE OVERHEIDSADMINISTRATIE Artikel 157 1. De structuur van de organen van de overheidsadministratie zal zodanig zijn, dat zij hun diensten dicht bij het volk kunnen brengen om de deelname van de belanghebbende bij het actuele gebeuren te verzekeren en om hun bureaucratisme te voorkomen. Artikel 158 1. Een ieder heeft het recht om door de organen van de overheidsadministratie geïnformeerd te worden over de voortgang in de behandeling van zaken waar hij direct belang bij heeft en omtrent eindbeslissingen, met betrekking tot hem genomen.
HOOFDSTUK XXI HET REGIONAAL BESTUUR EERSTE AFDELING ALGEMEEN Artikel 159 De democratische ordening van de Republiek Suriname omvat op regionaal niveau lagere overheidsorganen, waarvan de functie, de organisatie, de bevoegdheden en de werkwijze bij wet worden geregeld in overeenstemming met de beginselen van participatiedemocratie en decentralisatie van bestuur en regelgeving. TWEEDE AFDELING GEBIEDSINDELING Artikel 160 1. De gebiedsindeling in districten en van districten in ressorten wordt bij wet geregeld. Voor de vaststelling van de gebiedsindeling in districten en ressorten zullen de volgende criteria gelden: 2. De grenzen van de districten vallen samen met de grenzen, zoals die zijn aangegeven in het decreet "Districtenindeling 1983" (S.B. no. 24) DERDE AFDELING REGIONALE VERTEGENWOORDIGING Artikel 161 1. Op regionaal niveau zijn er twee vertegenwoordigende lichamen, de districtsraden en de ressortraden. DISTRICTRADEN Artikel 162 De samenstelling van de districtraden vindt plaats na gehouden algemene, vrije en geheime verkiezingen in de ressorten van het betreffende district. De zetels in een districtsraad worden toegekend aan de in de ressortraden van het betreffende district vertegenwoordigende politieke organisaties, naar evenredigheid van het totaal aantal in de ressortraden verworven zetels. RESSORTRADEN Artikel 163 De samenstelling van de ressortraden vindt plaats na gehouden algemene, vrije en geheime verkiezingen binnen het ressort. De volgorde der gekozenen wordt bepaald naar de rangorde der hoofdelijk verworven stemmen. Hierdoor worden alle beschikbare zetels toegekend. Behoudens andere wettelijke eisen voor verkiesbaarheid in de vertegenwoordigende lichamen, dienen de kandidaten voor een ressortraad of een districtsraad hun woonplaats en hoofd- of werkelijk verblijf te hebben in het betreffende district of ressort. VIERDE AFDELING BEVOEGDHEDEN Artikel 164 De regionale vertegenwoordigende lichamen en de regionale bestuursorganen nemen deel aan de voorbereiding, de totstandkoming en de uitvoering van de districts- en ressortplannen. De overige specifieke taken worden nader bij wet geregeld. Artikel 165 De financiële voorzieningen voor de districten en de ressorten worden bij wet vastgesteld; zij beogen onder meer een redelijke en billijke toedeling van publieke fondsen in de districten te bevorderen. Artikel 166 Het toezicht op de districten wordt uitgeoefend door de Regering, overeenkomstig de wijze en in de gevallen, voorzien bij wet. VIJFDE AFDELING WERKWIJZE Artikel 167 De districtsraden en de ressortraden brengen de wil en de aspiraties van de bewoners tot uitdrukking. Artikel 168 1. Aan de gekozen districtsvertegenwoordigers zal ruimte geboden moeten worden om te kunnen participeren in het formuleren en het tot stand brengen van het nationaal en regionaal ontwikkelingsbeleid.
HOOFDSTUK XXII REGIONALE REGELGEVING Artikel 169 1. Aan de districtsraad worden de regelgeving en het bestuur van de huishouding van het district overgelaten. Artikel 170 1. De Districtsverordeningen dienen, alvorens in werking te treden, ter kennis te worden gebracht van De Nationale Assemblee, de Regering, de Staatsraad en de betrokken Districtscommissaris. Artikel 171 Na de bekendmaking als bedoeld in artikel 170 heeft ieder de gelegenheid bezwaren tegen de Districtsverordening in de dienen bij De Nationale Assemblee. Artikel 172 1. De Nationale Assemblee kan, indien de Districtsverordening in strijd is met de Grondwet, het regeerprogramma of de gelden wetten, de Districtsverordening vernietigen. Artikel 173 1. Het repressief toezicht wordt door de Regering uitgeoefend op die besluiten van de Districtsraad, die geen algemene regels inhouden. Indien deze besluiten geacht worden in strijd te zijn met het regeerprogramma of het nationaal belang, worden ze door de President geschorst.
HOOFDSTUK XXIII REGIONALE BEVOEGDHEDEN Artikel 174 1. In elk district is er een districtsbestuur. Het districtsbestuur is het uitvoerend orgaan van het district. Artikel 175 Het districtsbestuur is belast met het dagelijks bestuur van het district. Artikel 176 Vervallen.
HOOFDSTUK XXIV LEGER EN POLITIE EERSTE AFDELING HET NATIONAAL LEGER Artikel 177 1. Het Nationaal Leger heef tot taak de verdediging van de souvereiniteit en de territoriale integriteit van Suriname tegen buitenlandse gewapende militaire agressie. Artikel 178 1. De Politie heeft tot taak: a. de handhaving van de openbare orde en de inwendige veiligheid, het voorkomen van inbreuken daarop en de bescherming van personen en goederen; 2. Onverminderd het bepaalde in het vorige lid, kan de politie belast worden met bijzondere taken bij wet te regelen. TWEEDE AFDELING KORPS POLITIE SURINAME Artikel 179 1. Militairen of ambtenaren van politie die lid worden van één der volksvertegenwoordigende lichamen worden van rechtswege op non-actief gesteld.
HOOFDSTUK XXV VERDEDIGING VAN DE STAAT Artikel 180 1. Het verdedigingsbeleid berust bij de Regering.
HOOFDSTUK XXVI VERENIGDE VOLKSVERGADERING Artikel 181 1. De Verenigde Volksvergadering bestaat uit: - De Nationale Assemblée; 2. Deze Volksvergadering komt bijeen voor de stemming: a. bij grondwetswijzigingen die betrekking hebben op de bevoegdheden en de taken van de afgevaardigden naar de verschillende vertegenwoordigende lichamen, waarvoor de goedkeuring van ten minste 2/3 deel van het aantal geldig uitgebrachte stemmen benodigd is, als deze meerderheid niet kan worden bereikt in De Nationale Assemblee na twee stemmen; 3. Besluiten in de Verenigde Volksvergadering worden genomen met gewone meerderheid van het aantal uitgebrachte stemmen, indien meer dan de helft van het totaal aantal in functie zijnde leden van de in lid 1 genoemde organen tegenwoordig is.
HOOFDSTUK XXVII OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN EERSTE AFDELING VROEGER CONSTITUTIONEEL RECHT Artikel 182 De bepalingen van de Grondwet van 25 november 1975, waarvan de werking op 13 augustus 1980 is geschorst, houden op te bestaan bij het in werking treden van deze Grondwet. TWEEDE AFDELING VROEGER GEWOON RECHT Artikel 183 De wettelijke regelingen, zoals die bestonden voor het in werking treden van deze Grondwet, waaronder begrepen de wetten en decreten die vanaf 25 februari 1980 zijn uitgevaardigd, blijven van kracht, totdat zij door andere volgens deze Grondwet zijn vervangen, met bepaling dat zij, voor zover zij inhoudelijk in strijd zijn met de Grondwet, niet later dan aan het einde van de eerste zittingsperiode van De Nationale Assemblee met deze Grondwet in overeenstemming moeten zijn gebracht, bij gebreken waarvan zij hun rechtskracht verliezen. DERDE AFDELING INWERKINGTREDING VAN DE STAATSORGANEN Artikel 184 1. De Nationale Assemblee vangt haar werkzaamheden aan binnen 30 dagen na de uitslag van de verkiezing. Artikel 185 Vervallen. VIERDE AFDELING BEKRACHTIGING, BEKENDMAKING EN INWERKINGTREDING Artikel 186 1. De Grondwet van de Republiek Suriname heeft als dagtekening de datum van het referendum waarbij haar goedkeuring door het Surinaamse volk plaatsvindt.
|